Deze week stemde de Eerste Kamer in met de Wet plan van aanpak Witwassen. Eén van de onderdelen uit dit pakket aan maatregelen is het verlagen van de grens voor contante betalingen naar €3.000. Dit houdt in dat winkeliers en bedrijven geen transacties van meer dan dit bedrag in contanten mogen uitvoeren.
Deze vorm van financiële repressie past in een bredere trend waar Sander Boon in 2012 al uitvoerig over schreef in zijn boek De Geldbubbel. Hieronder volgt een passage uit hoofdstuk 7 met drie scenario’s voor de toekomst. Hoewel de tekst geschreven is in reactie op de financiële crisis van 2008 heeft deze aan actualiteit weinig ingeboet.
Drie scenario’s voor de toekomst
Hoe de crisis verder zal verlopen is niet voorspelbaar, maar dat de wereld er de komende vijftien jaar anders uit zal zien dan de afgelopen decennia is onontkoombaar. In dit hoofdstuk wordt geschetst dat het zich zal uiten in drie mogelijke, maar waarschijnlijk opvolgende scenario’s: financiële repressie, schulddeflatie en hyperinflatie. Met repressie zullen overheden en centrale banken trachten het monetaire en financiële systeem te stabiliseren.
Onder zachte of harde dwang zullen zij proberen de schulden via hoge inflatie en lage rente langzaam maar zeker te verminderen. Spaarders zullen in dit scenario worden belast, schuldenaren juist gesubsidieerd. Repressie wordt ingezet om de twee uiterste risico’s, die van schulddeflatie en hyperinflatie, te vermijden. Het kan alleen slagen als er net zoals na de Tweede Wereldoorlog tegelijkertijd sprake is van robuuste economische groei.
Financiële repressie
Financiële repressie is voor overheden de ideale en meest geschikte manier om een te hoog opgelopen schuldenberg te saneren zonder dat het systeem acuut vastloopt. Door strakke regulering, zachte en soms ook harde dwang kunnen zij financiële instellingen overreden om in staatsobligaties te beleggen. Hierdoor blijven de overheidsschulden niet alleen betaalbaar, maar neemt de schuld ten opzichte van de economie in de loop van een aantal jaren of zelfs decennia ook af. Tijdens de repressie ontstaat er een nauwere band tussen de bancaire instellingen en overheden. Centrale banken verliezen vaak impliciet of expliciet hun onafhankelijkheid. Dat gebeurt bijvoorbeeld als overheden door politieke benoeming grip krijgen op het monetaire beleid van de banken. Ook kunnen overheden zogenaamde aanwijzingen geven om het beleid van banken te sturen. Als laatste middel kunnen de banken zelfs worden genationaliseerd.
In aanloop naar en tijdens de repressie wordt de beleidsrente van centrale banken sterk verlaagd. Ideaal is het als die rente flink onder de prijsinflatie zakt, zodat er sprake is van een zogenaamde negatieve reële rente. Schulden worden dan ten opzichte van de reële goederen en diensten in de samenleving langzaam maar zeker minder waard. Lagere rente is onaantrekkelijk voor beleggers, omdat de koopkracht van hun beleggingen in deze situatie achteruit gaat. Daarom worden financiële instellingen zoals pensioenfondsen vaak verplicht om tijdens deze repressie in staatsobligaties te beleggen. Dat gebeurt meestal onder het mom van het te hulp schieten van de nationale overheid.
Meer controle
Spaarders en beleggers hebben onder het regime van financiële repressie maar weinig mogelijkheden om hun geld te laten renderen. Zeker wanneer financiële repressie ook in andere landen wordt toegepast. Door kapitaalcontroles worden alternatieven onaantrekkelijk of onmogelijk gemaakt. Een transactietaks op bijvoorbeeld de handel in aandelen stuurt beleggers in de richting van obligaties. Vaak wordt door het onderdrukken van de goudprijs of door het vaststellen van een maximaal percentage aan goud in de portefeuille van professionele beleggers ook de handel in of het bezit van goud ontmoedigd of zelfs aan banden gelegd. Als laatste redmiddel kan de overheid ervoor kiezen het goud te nationaliseren.
Omdat er onder financiële repressie maar weinig alternatieven voor spaarders en beleggers zijn, heeft de overheid meestal weinig moeite om ze opgesloten te houden in het systeem van staatsobligaties. Als deze methoden niet voldoen, kan de overheid een groter direct belang nemen in financiële instellingen, om op die manier de investeringen in de economie in een door de overheid gewenste richting te sturen. Er zijn dus nogal wat mogelijkheden voor overheden en centrale banken om de schuldenpositie kunstmatig houdbaar te maken, mogelijkheden die ook succesvol zijn ingezet na de Tweede Wereldoorlog.
Oorlogsschulden
Financiële repressie was na 1945 noodzakelijk om de hoge oorlogsschulden van westerse landen weg te werken. De vermindering van de schuld ten opzichte van de economie was groot. In de VS en Engeland bijvoorbeeld daalde de schuld met zo’n 3 à 4 procent op jaarbasis, wat betekent dat de schuld in tien jaar tijd verminderde met 30 à 40 procent. Deze repressie duurde van 1945 tot het einde van Bretton Woods in 1971. In die periode was er in veel landen sprake van een streng gereguleerd financieel systeem en een negatieve reële rente. Tegelijkertijd was de economische groei hoger dan de rente op staatsobligaties. De economie kon groeien omdat de private sector nog niet diep in de schulden zat. Ook zorgde de wederopbouw van de verwoeste economieën voor een sterke economische impuls.
De regulering van het systeem was overigens al begonnen in reactie op de kredietcrisis die aan de Grote Depressie voorafging en viel dus in vruchtbare aarde. Tijdens deze periode was de mogelijkheid om in goud te beleggen beperkt. De London Gold Pool was ook een uiting van repressie. Het werd beleggers moeilijk gemaakt goud als vluchthaven te kiezen.
Tot 1975 mochten Amerikaanse staatsburgers bijvoorbeeld geen goud bezitten. En zoals we eerder hebben gezien werd de goudprijs door westerse centrale bankiers ook onderdrukt, waardoor het niet interessant was voor internationale beleggers om goud aan te houden. De repressie werd beëindigd in de jaren zeventig. De financiële industrie werd gedereguleerd en na de lange periode van schuldsanering kon de periode van kredietcreatie en schuldgroei weer beginnen.
Herhaling van zetten?
Het is niet vreemd dat de omslag van ongekende kredietcreatie naar crisis en schuldsanering gepaard gaat met een nieuwe poging tot financiële repressie. We hebben al gezien dat er sprake is van valutaspanningen en zelfs het begin van een valutaoorlog. Japan en Zwitserland hebben hun valuta’s ten opzichte van andere valuta’s met groot machtsvertoon naar beneden gedrukt. China houdt nog steeds vast aan de koppeling met de dollar. Landen als Brazilië en Argentinië kozen voor kapitaalcontroles om de instroom van dollars en euro’s tegen te gaan. En in het Westen zijn de centrale banken overgegaan tot het opkopen van slechte leningen en het verlagen van de beleidsrente naar een historisch dieptepunt. Ook zijn er tekenen dat politici de macht bij de centrale banken willen overnemen. In Hongarije werd het primaat van de politiek boven dat van de bank zelfs in de Grondwet verankerd.
Hoewel repressie na de Tweede Wereldoorlog succes had, is dat minder zeker in onze tijd. Schuldsanering door repressie is namelijk alleen maar effectief als er tegelijkertijd sprake is van economische groei. Door de groei nemen belastinginkomsten toe en hoeven overheden minder extra schuld op zich te nemen. In onze tijd hebben niet alleen de overheden een enorme schuldenlast, maar ook de private partijen. Economische groei wordt hierdoor sterk belemmerd.
Kapitaalvlucht
Ook zijn er in onze tijd veel meer uitwijkmogelijkheden voor beleggers en spaarders. De mobiliteit van het kapitaal is nog steeds ongekend. Met een klik van de muis verhuist het kapitaal van de ene kant van de wereld naar de andere kant en van de ene beleggingscategorie naar de andere. Als die mogelijkheden door kapitaalcontroles, regulering en verboden worden beperkt, ontstaat waarschijnlijk al snel sociale onvrede.
Door de jarenlange gestegen welvaart zijn mensen in onze tijd ook helemaal niet voorbereid op minder welvaart. In de tijd na de Tweede Wereldoorlog was men bezig met de wederopbouw. Anno 2012 zijn mensen juist bezig met het behouden van hun welvaart. Versobering wordt maar moeilijk geaccepteerd. Daarbij worden autoriteiten niet meer vanzelfsprekend geloofd en vertrouwd; burgers kijken niet meer naar ze op. De onvrede kan zich dan ook snel verspreiden en tot politiek instabiele situaties leiden.
Negatieve effecten
Repressie heeft ook onvoorziene economische effecten. Door de draconische monetaire interventies is er geen sprake meer van transparante prijsvorming. En wanneer de prijsvorming van goederen en diensten niet meer transparant is, kunnen ondernemers niet meer goed inschatten wat het rendement zal zijn van risicovolle investeringen. Ondernemers kijken in dit economische klimaat dus de kat uit de boom, met als gevolg een verder stagnerende economie. Dit noopt centrale bankiers om nog meer te interveniëren in de geld- en kredietmarkten, met als gevolg meer diffuse prijsvorming en een verdere verslechtering van economische omstandigheden.
Het wegblijven van economische groei kan ook internationale spanningen opleveren. Landen zullen proberen om economische groei te ‘stelen’ bij anderen door hun munt te devalueren. Een goedkopere munt stimuleert export van eigen goederen, waardoor geld wordt verdiend. Devaluatie van de ene munt wordt echter vaak beantwoord met een devaluatie van andere. In de praktijk leidt dit tot een competitieve valutadevaluatie, oftewel een wereldkampioenschap geldontwaarding. De volgende stap is vaak dat landen de grenzen sluiten voor goederen, met als gevolg een snel verslechterende economie en hoge werkloosheid. Een internationale politieke crisis is dan al snel geboren, met oorlog als slechtste uitkomst. Of financiële repressie in onze huidige tijd zal slagen is dus uiterst twijfelachtig. Ondertussen zijn centrale banken en overheden noodgedwongen bezig met het bestrijden van schulddeflatie.






